ECLI:NL:CRVB:2015:142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij vermogensvaststelling WWB
Appellant, een bijstandsgerechtigde, maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin het vermogen van appellant werd vastgesteld op basis van de vrijval van een levensverzekering. Het college had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit ingetrokken, waarmee het volledig tegemoet kwam aan appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant stelde in hoger beroep dat het college in de bezwaarprocedure in strijd met artikel 7:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet de juiste inzagemogelijkheden had geboden, en dat hij daardoor belang had bij een beoordeling van het besluit.
De Raad oordeelde dat dit bezwaar alleen nog van principiële aard was en geen feitelijke betekenis meer had, mede omdat in een ander geding al was vastgesteld dat het college in strijd handelt met de Awb indien niet wordt meegedeeld waar en wanneer stukken ter inzage zijn gelegd. Verder achtte de Raad het aannemelijk dat het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet zal worden gehonoreerd en dat ook het verzoek tot oplegging van een dwangsom geen procesbelang oplevert.
Daarom bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wees de verzoeken tot schadevergoeding en dwangsom af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; verzoeken tot schadevergoeding en dwangsom worden afgewezen.