ECLI:NL:CRVB:2015:1438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl appellant op een ander adres stond ingeschreven. Uit onderzoek van de sociale recherche, gebaseerd op waterverbruik, observaties, getuigenverklaringen en verhoren, bleek dat appellanten samen een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2012 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 2004-2011 terug. Zowel appellante als appellant maakten bezwaar, dat door het college en de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en dat hun psychische gesteldheid een rol speelde, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen consistent en toereikend waren en dat klachten over het verhoor ongegrond waren verklaard. Ook de getuigenverklaringen ondersteunden het standpunt van het college.
De Raad verwierp verder het verweer dat appellante niet kon worden verweten de inlichtingenverplichting te hebben geschonden en dat er sprake was van dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien. De hogere beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.