ECLI:NL:CRVB:2015:1587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant, die eerder een WAO-uitkering ontving, vroeg een WIA-uitkering aan wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk als toezichthouder. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellant niet tot een overschrijding van zijn functionele mogelijkheden leidden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en rugklachten en dat de voorgehouden functies niet geschikt waren vanwege wisselende omstandigheden en problemen die hij niet aankan. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en goed onderbouwd was, waarbij alle relevante medische informatie was meegewogen. De aanvullende medische verklaringen van appellant bevatten geen nieuwe informatie die aanleiding gaf tot bijstelling van de functionele mogelijkhedenlijst.
Verder stelde de Raad vast dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de voorgehouden functies voorspelbare werksituaties betreffen, passend bij het opleidingsniveau van appellant. Gezien deze overwegingen bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het verzoek om een onafhankelijk medisch deskundige af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.