Uitspraak
25 april 2013, 12/4345 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds zijn 18e een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant te veel uitkering had ontvangen over de periode van oktober 2009 tot april 2012 en vorderde €15.512,91 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn inkomsten invloed hadden op zijn uitkering.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet verantwoordelijk was voor het niet melden van inkomsten en dat het UWV een buitenwettelijk, begunstigend beleid hanteert dat niet consistent werd toegepast. De Raad oordeelde dat het geschil zich richt op de terugwerkende kracht van de kortingsbepaling en de daaraan gekoppelde terugvordering. De rechtbank had ten onrechte het beroep beoordeeld op basis van de oude Wajong-wetgeving.
De Raad stelde vast dat het UWV het beleid niet consistent had toegepast, mede gelet op een rapport van de verzekeringsarts waarin werd geconcludeerd dat appellant niet volledig kon beseffen dat hij te veel inkomen ontving. Ook was onvoldoende onderzocht of appellant adequaat werd ondersteund bij zijn administratie. Daarom was het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd, in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Het UWV kreeg opdracht het besluit binnen zes weken te herstellen.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit over de terugvordering van de Wajong-uitkering binnen zes weken herstellen wegens onzorgvuldige voorbereiding en inconsistent beleid.