ECLI:NL:CRVB:2015:1686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant heeft in de periode van 1 augustus 2012 tot 1 oktober 2012 geen sollicitatieactiviteiten verricht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft daarom bij besluit van 26 november 2012 de WW-uitkering van appellant met 25% verlaagd gedurende vier maanden. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Noord-Nederland, die het beroep ongegrond verklaarde en oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld en dat de maatregel verlaagd had moeten worden, mede omdat hem niet de mogelijkheid was geboden alsnog sollicitaties in te dienen. Het Uwv voerde aan dat er geen reden was om de maatregel te verlagen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid.
De Raad verwijst naar de relevante wet- en regelgeving en stelt vast dat appellant in de betreffende periode geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht, waardoor het opleggen van een maatregel terecht was. De hoogte en duur van de maatregel zijn conform de regelgeving. De stelling van appellant dat hij was vrijgesteld van sollicitatieplicht is onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 25% wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.