ECLI:NL:CRVB:2015:1746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- S. Hindriks-Roose
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet-melding kasstortingen
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd onderzocht door de gemeente Zoetermeer vanwege kasstortingen op haar bankrekening in oktober en november 2012. Het college herzag de bijstand en vorderde €1.330,- terug omdat appellante deze kasstortingen niet had gemeld, wat zij verplicht was te doen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de stortingen giften van haar moeder waren, waardoor deze als inkomsten moesten worden beschouwd. In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over haar beroepsgrond dat de stortingen tot haar vermogen moesten worden gerekend, wat zou leiden tot een andere beoordeling.
De Raad oordeelde dat de rechtbank inderdaad een wezenlijke beroepsgrond had genegeerd en vernietigde het vonnis voor zover dit punt niet was beoordeeld. De Raad beoordeelde deze beroepsgrond zelf en oordeelde dat de kasstortingen als inkomsten moesten worden gezien en niet als vermogen. De overige beroepsgronden, waaronder het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, werden verworpen. Het beroep werd daarmee alsnog ongegrond verklaard.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 juni 2015.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand wegens niet-melding van kasstortingen wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten aan appellante.