ECLI:NL:CRVB:2015:1809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering faillissementsuitkering wegens niet duidelijk aanwijsbare vorderingen
Appellant was in dienst bij een besloten vennootschap en werd op staande voet ontslagen wegens diefstal. Hij legde zich neer bij het ontslag en vorderde een gefixeerde schadevergoeding. Na het faillissement van de werkgever vroeg appellant het UWV om overname van de betalingsverplichtingen. Het UWV weigerde dit omdat de vorderingen niet duidelijk aanwijsbaar waren. De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellant dat ook loon, vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen onbetaald waren gebleven. De Raad oordeelde dat deze vorderingen betwist werden en dat uit de eindafrekening bleek dat verrekening had plaatsgevonden. De gefixeerde schadevergoeding betreft een periode na het dienstverband en valt niet onder de overnamegrondslag van de WW.
De Raad bevestigde daarom de weigering van het UWV om een uitkering toe te kennen. Er was geen proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijkheid en concreetheid van vorderingen bij faillissementsuitkeringen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een faillissementsuitkering toe te kennen vanwege niet duidelijk aanwijsbare vorderingen.