ECLI:NL:CRVB:2015:1850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- R.E. Bakker
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding bezwaarkosten bij WAO-uitkering
Een werknemer met een WAO-uitkering maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zijn uitkering niet werd verhoogd wegens vermeende niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarbij ook een verzoek tot vergoeding van kosten in bezwaar werd afgewezen. De werknemer stelde dat de kostenvergoeding onterecht werd geweigerd omdat hij wel gegrond werd verklaard voor eerdere perioden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, mede omdat zij de bij brief van 9 november 2012 ingediende, inhoudelijke beroepsgronden ten onrechte in haar beoordeling had betrokken. Het UWV stelde in hoger beroep dat deze gronden te laat waren ingediend en dat de rechtbank daarmee in strijd had gehandeld met artikel 8:69 Awb Pro.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de situatie omgekeerd is aan eerdere rechtspraak: de werknemer richtte zich eerst op de kostenvergoeding en pas daarna, na afloop van de beroepstermijn, op het eigenlijke geschilpunt. Hierdoor mocht de rechtbank deze latere gronden niet meewegen. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de werknemer wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.