ECLI:NL:CRVB:2015:1868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens juiste medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, werkzaam als filiaalchef, meldde zich ziek met vermoeidheids- en depressieve klachten en polsklachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe, maar herbeoordeling leidde tot vaststelling van beperkingen bij repeterende bewegingen en fysiek zwaar werk met de handen. Op basis hiervan trok het UWV de uitkering in.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. Ook de arbeidskundige onderbouwing was voldoende. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar handklachten werden onderschat en dat het onderzoek niet zorgvuldig was, maar zij overlegde geen nieuwe medische stukken.
De Raad concludeert dat de verzekeringsartsen adequaat onderzoek hebben verricht, rekening houdend met eerdere diagnoses en adviezen van specialisten. De arbeidsdeskundige motivering was toereikend om de geschiktheid van functies vast te stellen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering van appellante terecht heeft beëindigd.