Appellante, een werkgever, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen maatregel op te leggen aan een voormalige werknemer die zich volgens appellante onvoldoende breed had gesolliciteerd tijdens zijn werkloosheid. Het UWV had vastgesteld dat werknemer voldeed aan de kwantitatieve norm van vier sollicitaties per vier weken en zag geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de Richtlijn passende arbeid 2008 niet bindend is en dat zonder afspraken in een re-integratietraject de kwantitatieve norm voldoende is. In hoger beroep betoogde appellante dat de werknemer zich te beperkt had gericht op functies binnen de grafische sector en op hetzelfde niveau, terwijl bij langdurige werkloosheid een bredere sollicitatieplicht geldt.
De Raad oordeelt dat het UWV bij een melding van een overheidswerkgever ook de kwalitatieve aspecten van de sollicitatieplicht moet betrekken. Gezien de duur van de werkloosheid had werknemer zich moeten richten op ook lager gekwalificeerde functies. Werknemer heeft zich beperkt tot MBO- en HBO-niveau binnen de grafische sector, wat onvoldoende is. Het UWV had daarom een maatregel van 25% van het uitkeringsbedrag moeten opleggen. Het niet opleggen hiervan betekent dat het UWV appellante moet schadeloos stellen.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, verklaart het beroep gegrond en draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.