ECLI:NL:CRVB:2015:195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering zonder recht op loondervingsuitkering
Appellant, geboren in 1970, ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering. In 2012 is zijn uitkering herzien van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45% naar 80-100%. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat zijn bezwaar ongegrond verklaarde en dat hij geen recht heeft op een loondervingsuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het beroep op artikel 40 van Pro de WAO af omdat appellant voorafgaand aan de toename van zijn beperkingen geen WAO-verzekerde werkzaamheden had verricht. Ook het beroep op artikel 21a van de WAO werd verworpen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het dagloon opnieuw berekend moet worden op grond van artikel 40, derde lid, van de WAO en dat het niet toekennen van een loondervingsuitkering onredelijk en onbillijk is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 40, derde lid, vereist dat de betrokkene op het moment van toename van de arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte, wat hier niet het geval was.
De Raad bevestigde dat het beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank gehandhaafd blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op loondervingsuitkering bij herziening van de WAO-uitkering.