ECLI:NL:CRVB:2015:2012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende bijstand aan vreemdeling zonder aannemelijk gemaakte kosten levensonderhoud
Appellant, een vreemdeling die met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning kreeg, verzocht bijstand over de periode van 27 oktober 2001 tot 6 maart 2007. Het college wees dit af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode kosten van levensonderhoud had gemaakt die nog niet waren voorzien. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand omdat appellant geen concrete bewijzen van bijstandbehoevende omstandigheden had geleverd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank de zaak had moeten terugverwijzen en dat hij wel degelijk schulden met aflossingsverplichtingen had aangegaan. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode reële schulden met daadwerkelijke aflossingsverplichtingen had.
De Raad benadrukte dat het op de aanvrager rust om aannemelijk te maken dat hij kosten van levensonderhoud heeft gemaakt die nog niet zijn voorzien. De door appellant overgelegde kwitanties waren onvoldoende bewijs om aan te tonen dat er schulden bestonden die terugbetaald moesten worden. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.