ECLI:NL:CRVB:2015:2017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- A.I. van der Kris
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking WW-uitkering tot 22 september 2011 wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant was werkzaam bij een vennootschap en zijn dienstverband werd per 1 januari 2011 beëindigd na diverse gerechtelijke procedures. Hij diende op 22 maart 2012 een aanvraag in voor een WW-uitkering, die aanvankelijk werd afgewezen omdat het UWV meende dat het dienstverband nog bestond. Na bezwaar stelde het UWV vast dat appellant recht had op een WW-uitkering van veertien maanden, ingaand op 22 september 2011, conform artikel 35 van Pro de WW dat een uitkering niet kan worden betaald over perioden die meer dan 26 weken voor de aanvraag liggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de termijn rechtvaardigde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zich kort na zijn ontslag had gemeld bij het UWV en dat hem toen was meegedeeld dat hij geen aanspraak kon maken vanwege lopende procedures. Ook voerde hij psychische belemmeringen aan door familieomstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van een bijzondere situatie en dat het wachten op juridische uitspraken en het cassatieadvies voor zijn risico komt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen bijzonder geval is aangetoond en bevestigt dat de WW-uitkering pas kan ingaan vanaf 22 september 2011. Het hoger beroep wordt verworpen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WW-uitkering kan pas ingaan vanaf 22 september 2011 omdat geen bijzonder geval is aangetoond.