Uitspraak
17.1848 WW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte vanaf februari 2008 voor zijn moeder op basis van een persoonsgebonden budget. Na haar overlijden in 2012 vroeg appellant in november 2014 met terugwerkende kracht een WW-uitkering aan vanaf januari 2012. Het UWV weigerde de uitkering omdat de aanvraag niet binnen 26 weken na de werkloosheid was ingediend, en stelde dat er geen verzekeringsplichtige arbeid was verricht. De rechtbank stelde vast dat er wel sprake was van een dienstbetrekking en gaf het UWV opdracht het bezwaar opnieuw te beoordelen.
Het UWV kende een WW-uitkering toe voor de periode van januari 2012 tot februari 2014, maar betaalde niet uit over de periode langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraagdatum. Appellant voerde in hoger beroep aan dat sprake was van een bijzonder geval vanwege onjuiste informatie van het UWV en vroeg om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat appellant niet tijdig navraag had gedaan bij het UWV en dat de informatie van een notaris geen grond was om geen aanvraag te doen.
De Raad benadrukte dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief wordt uitgelegd en dat appellant geen omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen omdat geen sprake is van een bijzonder geval voor uitbetaling van de WW-uitkering over de periode langer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraag.