ECLI:NL:CRVB:2015:2111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J. Riphagen
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling aflossingscapaciteit door UWV ondanks geschil over gezamenlijke huishouding en dienstverbanden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep van appellant tegen het UWV-besluit over de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit ongegrond werd verklaard.
Appellant voerde aan dat hij en zijn echtgenote geen gezamenlijke huishouding voerden en dat hij slechts bij één werkgever werkzaam was. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV terecht het inkomen van zowel appellant als zijn echtgenote in aanmerking had genomen, omdat zij nog een gezamenlijke huishouding voerden en appellant werkzaam was bij twee werkgevers.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Uit de stukken blijkt dat appellant en zijn echtgenote nog niet duurzaam gescheiden leefden en dat appellant niet heeft aangetoond slechts bij één werkgever in dienst te zijn. De Raad concludeert dat het UWV terecht de aflossingscapaciteit heeft vastgesteld op basis van het gezamenlijke inkomen en de twee dienstverbanden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de aflossingscapaciteit door het UWV bevestigd.