ECLI:NL:CRVB:2020:842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven bij toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellant vroeg toeslag aan op grond van de Toeslagenwet (TW) en stelde dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote, hoewel zij samen het hoofdverblijf deelden. Het UWV had de toeslag berekend naar de gehuwdennorm en beëindigd wegens het ontbreken van inkomensgegevens van de echtgenote. Na bezwaar stelde het UWV het recht op toeslag opnieuw vast op basis van de gehuwdennorm.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van duurzaam gescheiden leven. Appellant voerde hoger beroep en stelde dat het UWV nader feitelijk onderzoek had moeten doen en dat hij door omstandigheden weer bij zijn echtgenote woonde, maar feitelijk gescheiden leefde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven juridisch heeft beantwoord en dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van een eigen huishouding. De Raad bevestigt dat bij scheiding van tafel en bed het huwelijk niet is ontbonden en dat appellant als gehuwde wordt aangemerkt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; appellant wordt als gehuwd aangemerkt en toeslag berekend naar gehuwdennorm.