De zaak betreft het hoger beroep van het UWV tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam over het recht van betrokkene op een WAO-uitkering. Na een tussenuitspraak leidde dit tot een gewijzigd besluit waarin het UWV het standpunt handhaafde dat betrokkene geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is per 10 juni 2004.
Betrokkene stelde dat de beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat hij al kort na de wachttijd geen benutbare mogelijkheden meer had vanwege psychiatrische klachten. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder die van verzekeringsartsen bezwaar en beroep, voldoende gemotiveerd zijn en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld.
De Raad concludeerde dat de medische gegevens uit 2004 geen aanwijzingen geven voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid per datum einde wachttijd. Ook de arbeidskundige beoordeling van de geselecteerde functies is afdoende toegelicht. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond verklaard, en het UWV is veroordeeld in de proceskosten.