ECLI:NL:CRVB:2013:CA1414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering na onjuiste beoordeling wachttijd WAO
Betrokkene heeft op 24 juni 2009 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft de aanvraag echter beoordeeld op grond van artikel 43a van de WAO, waarbij werd geconcludeerd dat de wachttijd van 52 weken niet was vervuld omdat betrokkene per 5 januari 2004 hersteld was verklaard.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de hersteldverklaring geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was en dat betrokkene mogelijk wel de wachttijd had vervuld. Het bestreden besluit werd daarom vernietigd wegens onvoldoende motivering en appellant kreeg de opdracht een nieuwe beoordeling te verrichten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de hersteldverklaring geen besluit is en dat appellant ten onrechte artikel 43a van de WAO heeft toegepast. De Raad wijst erop dat de wachttijd zelfstandig moet worden beoordeeld aan de hand van alle beschikbare medische gegevens, zonder doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het ontbreken van aanspraak op ziekengeld.
De Raad draagt appellant op binnen zes weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door opnieuw te beoordelen of de wachttijd is vervuld en de Functionele Mogelijkheden Lijst op te stellen, zoals door de rechtbank is voorgeschreven. Tevens dient appellant te bezien welke gevolgen deze beoordeling heeft voor het hoger beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beoordeling van de wachttijd en arbeidsongeschiktheid te verrichten.