ECLI:NL:CRVB:2015:2386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband
Appellant was sinds 2005 in dienst als systeembeheerder en meldde zich in december 2011 ziek vanwege darm- en psychische klachten. In juli 2012 tekende hij een vaststellingsovereenkomst waarin werd overeengekomen dat het dienstverband per 1 augustus 2012 zou eindigen, met een daarop volgende ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. De werkgever meldde appellant ziek uit dienst.
Het UWV weigerde de Ziektewetuitkering omdat appellant een benadelingshandeling had gepleegd door in te stemmen met de beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte, terwijl hij recht had op loondoorbetaling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het tekenen van de vaststellingsovereenkomst neerkwam op het prijsgeven van zijn rechten.
In hoger beroep voerde appellant aan niet te hebben ingestemd met de beëindiging, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant zich bewust was van de gevolgen van de overeenkomst en dat hij geen zelfstandige gronden had om het verwijt van benadeling te weerleggen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte.