ECLI:NL:CRVB:2015:2534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens dringende reden ontslag na werkweigering
Appellante was sinds 2003 werkzaam als thuishulp en kreeg toestemming voor drie weken vakantie van 30 juli tot 19 augustus 2012. Op 20 augustus 2012 verscheen zij niet op het werk en nam geen contact op met haar werkgever ondanks meerdere verzoeken. De werkgever kwalificeerde dit als werkweigering en sprak op 29 augustus 2012 ontslag op staande voet uit.
Appellante voerde aan zich ziek te hebben gemeld vanuit Marokko met een doktersverklaring, maar deze was onvolledig en onjuist gericht, waardoor de werkgever niet op de hoogte was van haar afwezigheid. De Raad oordeelde dat appellante geen deugdelijke grond had om niet te verschijnen en dat het ontslag terecht was.
Het UWV weigerde de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Appellante stelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, maar dit werd verworpen. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.