ECLI:NL:CRVB:2015:2598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om materiële en immateriële schadevergoeding tegen UWV
Appellant verzocht het UWV om vergoeding van materiële en immateriële schade, waaronder belastingschade over meerdere jaren en immateriële schade door gedragingen van het UWV en het aanvankelijk niet toekennen van een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, maar verklaarde het beroep gegrond voor een deel van de materiële schade, waardoor het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het verzoek om immateriële schadevergoeding niet voldeed aan de vereisten, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Ook de materiële schadeclaims werden beoordeeld aan de hand van materiële en processuele connexiteit, waarbij sommige posten buiten de reikwijdte van het geding vielen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en wees het af, waarmee de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.