ECLI:NL:CRVB:2013:2550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding immateriële schade na onrechtmatige intrekking bijstand
Appellant, dakloos en met medische klachten, verzocht vergoeding van immateriële schade nadat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zijn bijstand ten onrechte introk. Hij stelde dat het ontbreken van een urgentieverklaring en het niet kunnen reageren op een woningaanbod zijn welzijn en gezondheid negatief beïnvloedden.
De rechtbank wees het verzoek af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde dat zijn reeds bestaande lichamelijke en psychische klachten door het onrechtmatige besluit waren verergerd. De medische stukken, waaronder een verklaring van een psychiater, gaven geen aanwijzingen voor een verband met het besluit.
De Raad benadrukte dat voor vergoeding van immateriële schade meer nodig is dan psychisch onbehagen of gekwetst voelen, en dat ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of persoonlijkheidsrechten moeten worden aangetoond. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van toerekenbaar geestelijk letsel.