ECLI:NL:CRVB:2015:274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en vermogensoverschrijding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB van mei 2009 tot februari 2010. Het college stelde vast dat zij niet had voldaan aan haar inlichtingenverplichting door het niet verstrekken van bankafschriften van twee rekeningen waarop vermogen stond dat niet bekend was bij het college. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet beschikte over de tegoeden en niet op de hoogte was van de rekeningen. De Raad oordeelde dat appellante wel redelijkerwijs over het vermogen kon beschikken, mede omdat zij van het bestaan van de rekeningen op de hoogte was en gebruik had kunnen maken van de tegoeden. De intrekking over de periode waarin het vermogen de vermogensgrens overschreed, werd bevestigd.
Voor de periode waarin het vermogen niet meer boven de grens lag door overboekingen naar de vader van appellante, moet nader worden onderzocht of sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De Raad draagt het college op binnen zes weken het besluit te herstellen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen het besluit binnen zes weken te herstellen met nader onderzoek naar het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.