ECLI:NL:CRVB:2015:2781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding griffierecht na intrekking beroep bij UWV
Appellant heeft sinds 1997 recht op een WAO-uitkering en maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV omtrent voortzetting en wijziging van zijn uitkeringen. Na een melding van verslechterde gezondheid heeft het UWV de WAO-uitkering verhoogd en de WW-uitkering beëindigd. Appellant trok vervolgens zijn beroepen tegen eerdere beslissingen in en verzocht om vergoeding van het betaalde griffierecht.
Het UWV weigerde de vergoeding, omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat het beroep geheel of gedeeltelijk moet zijn ingewilligd. De rechtbank oordeelde dat appellant de beroepen op eigen initiatief had ingetrokken en dat het UWV niet aan zijn beroepen was tegemoetgekomen. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid alsnog werd erkend, maar de Raad stelde vast dat de besluiten verschillen in beoordelingskader en data, waardoor geen tegemoetkoming was gegeven.
De Raad bevestigde dat het verzoek tot vergoeding van griffierecht terecht werd afgewezen en dat de vermeende prioriteiten van het UWV geen aanleiding geven tot een andere beslissing. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het verzoek tot vergoeding van griffierecht weigert.