ECLI:NL:CRVB:2015:2937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget bij detentie
Appellant kreeg voor 2010 en 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend. Tijdens zijn detentie van 1 februari tot 25 november 2010 heeft appellant het pgb niet besteed aan huishoudelijke hulp, terwijl het pgb wel werd doorbetaald.
Het college trok het pgb over deze periode in en vorderde het bedrag van € 2.138,65 terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenplicht door niet te melden dat hij geen hulp had ingekocht.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was het pgb in te trekken en terug te vorderen, ook al had het college appellant niet expliciet om verantwoording gevraagd. De belangenafweging van het college bij intrekking en verrekening is redelijk. De Raad vernietigt het oorspronkelijke besluit tot pgb-verlening wegens gebrekkige motivering, verklaart het beroep tegen het latere besluit ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van het pgb wordt afgewezen en het oorspronkelijke besluit tot pgb-verlening vernietigd.