Verzoekster stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het CIZ, waarna het CIZ een herziene beslissing op bezwaar nam. Het hoger beroep werd later ingetrokken, met het verzoek om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het CIZ in de proceskosten van verzoekster moet worden veroordeeld, inclusief kosten voor rechtsbijstand en expertise. De redelijke termijn voor de procedure werd vastgesteld op vier jaar, terwijl feitelijk vijf jaar en negen maanden waren verstreken, wat een overschrijding van ongeveer één jaar en negen maanden betekent.
De schadevergoeding werd vastgesteld op in totaal € 2.000,- voor de overschrijding, waarvan € 1.500,- voor rekening van de Staat komt en € 500,- voor het CIZ. De Raad wees het verzoek om verdere kostenvergoeding af voor kosten reeds toegekend in eerdere uitspraak.
De uitspraak werd gedaan door R.M. van Male namens de Centrale Raad van Beroep op 29 juli 2015.