ECLI:NL:CRVB:2015:2962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Zorgkantoor over persoonsgebonden budget en proceskostenvergoeding
Appellante ontving voor 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor, dat later werd vastgesteld en teruggevorderd. Zij maakte bezwaar tegen de afwijzing van vergoeding van administratie- en beheerskosten en het niet horen voorafgaand aan het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep grotendeels ongegrond en niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onterecht het procesbelang ontkende en dat het Zorgkantoor onrechtmatig handelde door haar niet te horen. De Raad constateerde dat het Zorgkantoor bevoegd was tot het bestreden besluit en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het nadere besluit van het Zorgkantoor werd betrokken in de beoordeling.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van de vergoeding van bemiddelingskosten, omdat deze kosten uit coulance waren vergoed. Ook was er geen grond voor vergoeding van kosten in bezwaar, omdat geen verwijtbaarheid van het bestuursorgaan was vastgesteld. Het beroep tegen het nadere besluit werd deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond.
Ten slotte veroordeelde de Raad het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 augustus 2015.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten.