Appellant diende in december 2010 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van beperkingen binnen het autisme spectrum. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant na zijn 18e jaar een reële periode had waarin hij meer dan 75% van het maatmaninkomen verdiende. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant als vakkenvuller had gefunctioneerd en daarmee aan de inkomenseis voldeed.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank de bijzondere omstandigheden waaronder hij werkte niet juist had meegewogen. De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek had laten verrichten, wat bij een arbeidsverleden wel vereist is. Na aanvullend onderzoek concludeerde de Raad dat appellant terecht niet als jonggehandicapte werd aangemerkt en het besluit op juiste gronden berust.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden, waardoor appellant recht had op een schadevergoeding van € 1.000. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.