ECLI:NL:CRVB:2015:306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en urenbeperking bij WIA-uitkering
Appellante viel op 17 augustus 2009 uit voor haar werkzaamheden als secretaresse. Het UWV kende haar bij besluit van 8 juli 2011 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 51,61%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 6 januari 2012 vast op 48,36%. Appellante betwistte deze mate en stelde dat haar beperkingen en urenbeperking werden onderschat.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat de inkomenseis niet expliciet was vastgesteld en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het UWV stelde vervolgens de inkomenseis vast op € 498,80 per 15 juli 2013. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij maximaal tien uur per week kon werken.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, onder meer door een verzekeringsarts en informatie van de behandelend psycholoog. De beperkingen en urenbeperking zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren niet onjuist. Medische verklaringen uit 2014 gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van 15 augustus 2012, inclusief de inkomenseis.
Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige te raadplegen en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot vaststelling van 48,36% arbeidsongeschiktheid en een urenbeperking van twintig uur per week wordt bevestigd.