ECLI:NL:CRVB:2015:3082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht zonder uitdrukkelijke toezegging
Appellant vroeg bijstand aan op verschillende momenten, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bijstand toekende met ingang van 22 december 2011 en later introk wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht. Na nieuwe aanvragen en een intakegesprek op 4 januari 2013 werd bijstand toegekend met ingang van 22 december 2012. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat hem tijdens het intakegesprek was toegezegd dat bijstand met terugwerkende kracht zou worden verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant voerde aan dat de vermeende toezegging een bijzondere omstandigheid vormde, maar de Raad stelde vast dat uit de schriftelijke weergave van het gesprek noch uit andere stukken een dergelijke toezegging bleek.
De Raad benadrukte dat een gerechtvaardigd vertrouwen op een toezegging alleen kan bestaan als deze uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk is gedaan. Dit was niet het geval, waardoor het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend omdat geen uitdrukkelijke toezegging is gedaan.