ECLI:NL:CRVB:2015:309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als grondwerker, viel op 22 juli 2009 uit vanwege psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde bij besluit van 26 oktober 2011 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, mede vanwege een geschiedenis van ernstige depressieve en angstklachten en bijkomende lichamelijke klachten. Tevens stelde hij dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met zijn klachten op de datum in geding, 2 september 2011.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij zowel lichamelijke als psychische klachten waren onderzocht en beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had alle relevante medische informatie meegewogen en de Functionele Mogelijkhedenlijst aangepast waar nodig. Omdat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die zijn standpunt ondersteunde, was er geen aanleiding om af te wijken van het eerdere oordeel.
De Raad bevestigde dat de voor appellant geselecteerde functies geschikt zijn en dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.