ECLI:NL:CRVB:2015:3114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum normwijziging bijstandsuitkering bij hoofdverblijf in beschermde woonvorm
Appellant woonde sinds juni 2010 in een beschermde woonvorm van een GGZ-instelling en ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft. Hij stelde dat hij vanaf 1 januari 2011 bij zijn moeder woonde vanwege overlast en een brand, en dat de normwijziging bijstand met terugwerkende kracht vanaf die datum had moeten ingaan.
De commissie wijzigde de bijstandsnorm met ingang van 9 juli 2011, de datum van de melding van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij eerder zijn hoofdverblijf had verplaatst, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant verbleef weliswaar vaak bij zijn moeder, maar zijn persoonlijke bezittingen lagen nog op het GGZ-adres en hij had dit niet eerder kenbaar gemaakt aan de GGZ. Overgelegde verklaringen en foto’s boden onvoldoende bewijs.
Daarom was er geen grond voor een terugwerkende wijziging van de bijstandsnorm vóór 9 juli 2011. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstandsnormwijziging blijft 9 juli 2011.