Uitspraak
.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Den Hollander. Het college is, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bijzondere bijstand gevraagd voor kosten van een tandheelkundige behandeling, waaronder het trekken van tanden en het plaatsen van implantaten, ter hoogte van €7.087,56. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, stellende dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening is en er geen zeer dringende redenen waren voor bijzondere bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Zij stelde dat haar zorgverzekering slechts €450,- vergoedt en dat de behandeling medisch noodzakelijk is om ontstekingen te voorkomen, wat volgens haar zeer dringende redenen oplevert.
De Raad overwoog dat sinds 1 januari 2006 de Zvw en het Besluit zorgverzekering als toereikende voorliggende voorziening gelden voor tandheelkundige kosten en dat aanvullende bijzondere bijstand niet aan de orde is. Voor zeer dringende redenen moet sprake zijn van een acute noodsituatie die levensbedreigend is of blijvend ernstig letsel kan veroorzaken. Dit was niet gesteld noch gebleken.
Daarom werd het beroep van appellante verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten wegens het ontbreken van een acute noodsituatie.