ECLI:NL:CRVB:2015:3173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling maximumbedrag geldlening bij bijstand en woningvermogen
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de WWB en ontving deze in de vorm van een geldlening. Het college stelde het maximumbedrag van deze geldlening vast op basis van de waarde van de woning minus de hypotheekschulden, gedeeld door drie, met aftrek van de vrijlating. Appellant betwistte de waarde van de woning en de wijze waarop het consumptieve krediet werd meegeteld als schuld verbonden aan de woning.
De rechtbank stelde de waarde van de woning lager vast en vernietigde het bestreden besluit, waarna het college een nieuw maximumbedrag vaststelde. Appellant voerde aan dat het consumptieve krediet niet als hypotheekschuld op de woning moest worden beschouwd, maar als een schuld aan de boedel die op zijn deel van de erfenis moest worden verrekend.
De Raad oordeelde dat de WWB en de systematiek van bijstandverlening via geldlening alleen rekening houden met het vermogen gebonden aan de woning en de daarop rustende schulden. De schuld aan de boedel, ook al betreft het een consumptief krediet, valt hier niet onder. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het beroep tegen het nader besluit ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen en het maximumbedrag van de geldlening wordt bevestigd.