ECLI:NL:CRVB:2015:3186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding onvoldoende onderbouwd
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake intrekking en terugvordering van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant had bijstand aan R ingetrokken en teruggevorderd omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met appellant, wat zij niet had gemeld.
Het onderzoek naar de gezamenlijke huishouding was gebaseerd op een anonieme melding, dossieronderzoek, waarnemingen en verklaringen van R. Hoewel R verklaarde dat appellant meerdere dagen per week bij haar verbleef, werden tijdens een huisbezoek geen persoonlijke eigendommen van appellant aangetroffen. Het dagelijks bestuur concludeerde dat sprake was van gezamenlijke huishouding en trok de bijstand in en vorderde kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond om te concluderen dat appellant en R een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 1 maart 2011 tot 17 oktober 2012. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het terugvorderingsbesluit. Tevens veroordeelde zij het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering en intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.