Uitspraak
.Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig verzorgende, onderging in 2007 een operatie en chemotherapie vanwege mammacarcinoom. Na hervatting van haar werk in 2009 viel zij in 2010 uit met vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde in 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond.
Na bezwaar en beroep werden enkele beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt, maar de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij vanwege ernstige vermoeidheid verdergaand beperkt moest worden, met name een urenbeperking. De Raad erkende het causale verband tussen vermoeidheidsklachten en chemotherapie, maar vond de medische gegevens onvoldoende om meer beperkingen toe te kennen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige motiveerden overtuigend waarom een urenbeperking niet nodig was.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend waren en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.