ECLI:NL:CRVB:2015:343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens niet-meewerken aan arbeidsinschakeling met aangepaste maatregel
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was verplicht deel te nemen aan een door het college aangeboden arbeidsinschakelingstraject. Na meerdere weigeringen en recidive legde het college een maatregel op tot verlaging van de bijstand met 100% voor drie maanden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college onvoldoende maatwerk had geleverd en dat zijn weigering niet verwijtbaar was vanwege medische beperkingen. De Raad oordeelde dat het college wel degelijk maatwerk had geleverd, onder meer door een aangepast traject aan te bieden en medische keuringen te laten uitvoeren. Appellant had onvoldoende medische onderbouwing gegeven om zijn weigering te rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat de opgelegde maatregel van 100% over drie maanden niet in overeenstemming was met de toepasselijke maatregelverordening, die twee versies kende. De meest gunstige versie voor appellant (versie II) gold, waardoor de maatregel niet langer dan twee maanden mocht duren en niet de volledige 100% kon bedragen.
De Raad herzag de zwaarte van de maatregel naar 50% verlaging over twee maanden, gelet op recidive en gedeeltelijke gedragsverandering van appellant, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De eerdere uitspraak en het besluit werden vernietigd en vervangen door deze beslissing.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt verlaagd met 50% gedurende twee maanden wegens verwijtbaar niet meewerken aan arbeidsinschakeling.