ECLI:NL:CRVB:2015:3520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige behandeling wegens ontbreken dringende redenen
Appellante verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van een flapoperatie, deels vergoed door haar zorgverzekeraar. Het bestuur wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat appellante voldoende gelegenheid had om nadere stukken in te dienen, maar hiervan geen gebruik maakte. De Raad bevestigt dat de Zvw een toereikende voorziening is en dat gedeeltelijke vergoeding door de zorgverzekeraar niet tot bijstand leidt. Het beroep op dringende redenen faalt omdat appellante niet met medische gegevens aannemelijk maakte dat zonder de behandeling een acute noodsituatie zou zijn ontstaan.
Het bestuur hanteert sinds 2012 een nieuw minimabeleid dat geen bijzondere bijstand meer verstrekt voor medische kosten, tenzij in bijzondere gevallen. Dit beleid is consistent toegepast. Het eerdere besluit van 1999 geeft geen recht op blijvende bijzondere bijstand, zodat het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor de tandheelkundige behandeling wordt afgewezen wegens ontbreken van dringende redenen en correcte toepassing van het beleid.