De zaak betreft een geschil over de vaststelling van wettelijke rente in verband met een te laat betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 november 2002. Het Uwv had eerder een bedrag aan wettelijke rente toegekend, maar appellant stelde dat ook rente over een teruggevorderd bedrag aan zijn voormalige werkgever verschuldigd was. De Raad oordeelde dat het Uwv hierover wettelijke rente verschuldigd is en stelde het totale bedrag vast op €598,25.
Daarnaast verzocht appellant om vergoeding van immateriële schade wegens intimidatie en discriminatie tijdens de gevalsbehandeling, wat werd afgewezen omdat niet was voldaan aan de vereisten voor toewijzing van dergelijke schadevergoeding. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, waarbij de Raad vaststelde dat de procedure in hoger beroep met twee maanden was overschreden.
Het verzoek om herziening van een eerdere uitspraak werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening. De Raad veroordeelde de Staat tot vergoeding van immateriële schade en het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak van 14 december 2010 werd vernietigd en vervangen door deze beslissing.