ECLI:NL:CRVB:2015:3567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand en huurbetalingen door derde niet als middelen aangemerkt
Appellante ontvangt bijstand sinds augustus 2011 en het college stelde na onderzoek dat zij een gezamenlijke huishouding voert, waarop de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd. Het college herzag het besluit deels en nam huurbetalingen door een derde mee als middelen, waardoor bijstand werd herzien.
Appellante betwistte dat deze huurbetalingen als middelen konden worden aangemerkt, omdat zij er niet over kon beschikken en de betalingen incidenteel waren om huisuitzetting te voorkomen. De Raad oordeelde dat het criterium is of appellante de bedragen zelf had kunnen aanwenden voor andere kosten, wat niet het geval was.
Daarom konden de huurbetalingen niet als middelen worden beschouwd. Het college moest de bijstand echter wel afstemmen op de feitelijke behoeften, waarbij de huurbetalingen een substantiële besparing vormden. Dit rechtvaardigde een verlaging van de bijstand met de huurbetalingsbedragen.
De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe om de schending van artikel 31 WWB Pro te passeren en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd met een verlaging van de bijstand vanwege huurbetalingen door een derde.