Uitspraak
PROCESVERLOOP
,hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg na het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellante slechts 42,16% arbeidsongeschikt was, onder de vereiste 45%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen van appellante voldoende waren meegewogen. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen ernstiger waren, onder meer door hand- en vingerproblemen en taalbeheersing, en dat zij afhankelijk was van een scootmobiel.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd passend waren, ondanks de beperkte Nederlandse taalvaardigheid van appellante. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de nabestaandenuitkering bevestigd.