ECLI:NL:CRVB:2015:3879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong na arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een laattijdige aanvraag ingediend voor arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong. Het UWV wees deze aanvraag af omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 3 december 2012 werd vastgesteld, waardoor appellante de wachttijd van 52 weken niet had doorlopen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat appellante tot die datum haar opleiding en stages kon voltooien.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij al eerder beperkingen had en dat haar mogelijkheden door het UWV waren overschat. De Raad toetste dit en onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat 3 december 2012 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag geldt. De Raad stelde vast dat er geen oorzaak was die reeds aanwezig was op de dag dat appellante achttien werd, 23 december 2007, zodat artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong niet van toepassing is.
De Raad constateerde dat het UWV appellante na het vervullen van de wachttijd op 3 december 2013 alsnog als jonggehandicapte heeft aangemerkt, waardoor zij recht heeft op arbeidsondersteuning vanaf die datum. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 3 december 2012 arbeidsongeschikt is en recht op arbeidsondersteuning heeft vanaf 3 december 2013.