ECLI:NL:CRVB:2015:3889

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2015
Publicatiedatum
6 november 2015
Zaaknummer
11/7323 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over belanghebbende bij Ziektewetuitkering

Het UWV kende op 8 februari 2011 een Ziektewetuitkering toe aan belanghebbende met ingang van 15 december 2010. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grave stelde bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep van het college gegrond en vernietigde het besluit, waarbij het college werd aangemerkt als belanghebbende.

In hoger beroep stelde het UWV dat het college weliswaar categoraal belanghebbende is als voormalig werkgever, maar geen concreet procesbelang heeft bij de procedure. Het college verwees naar een aanhangige ambtenarenzaak waarin een medische beoordeling mogelijk van belang zou zijn. Belanghebbende stelde dat er geen actueel arbeidsverhouding meer is en dat het belang van het college onvoldoende is voor procesbelang.

De Raad oordeelde dat het college terecht als categoraal belanghebbende wordt aangemerkt, maar dat het onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het een concreet belang heeft bij de uitspraak over de medische geschiktheid van belanghebbende. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd en het beroep van het UWV tegen het besluit van 6 mei 2011 wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt toegewezen en het beroep tegen het besluit van 6 mei 2011 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/ 7323 ZW
Datum uitspraak: 28 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Bosch van
14 oktober 2011, 11/1893 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grave (college)
[belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. A. Kraag, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, een schriftelijke uiteenzetting toegezonden.
Bij brief van 10 februari 2012 heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, zich, als opvolgend gemachtigde van het college gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Cruijningen. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. In de Braekt.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het Uwv aan belanghebbende met in gang van
15 december 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.
1.2.
Het door het college tegen dit besluit ingestelde bezwaar is door het Uwv bij besluit op bezwaar van 6 mei 2011 (bestreden besluit) niet ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van het college gegrond verklaard, het besluit van 6 mei 2011 vernietigd en geoordeeld dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van het college dient te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen.
2.2.
De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij het college als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid:
“Gelet op het feit dat eiser geen eigen risico-drager is maar het belang is gelegen in de ontslagprocedure, kan het verweerder niet worden verweten dat het primaire besluit niet eerder naar eiser is verzonden als
belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de bezwaartermijn weliswaar reeds op 8 februari 2011 gaan lopen maar dient de termijnoverschrijding verschoonbaar te worden geacht nu eiser zo spoedig mogelijk na kennis te hebben genomen van het besluit en in ieder geval binnen twee weken, een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
Het Uwv heeft zich in hoger beroep -samengevat- op het standpunt gesteld dat het college als voormalig werkgever van belanghebbende, gelet op rechtspraak van de Raad, weliswaar categoraal belanghebbende is maar dat geen sprake is van een processueel belang.
3.2.
In verweer heeft het college zich, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van
23 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:122, op het standpunt gesteld dat het besluit van
8 februari 2011 gebaseerd is op een medische beoordeling die rechtstreeks van invloed zou kunnen zijn op de uitkomst van een eveneens bij de Raad aanhangige ambtenarenzaak waarin belanghebbende partij is. Gelet hierop is er naar het standpunt van het college sprake van zowel een categoraal als processueel belang.
3.3.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu geen sprake meer is van een actuele arbeidsverhouding, er wellicht sprake is van een afgeleid belang maar dat dit onvoldoende is om procesbelang aan te nemen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank in haar uitspraak terecht heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding. In het onderhavige geval dient eerst de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht het college heeft aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.2.
Deze vraag wordt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 5 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4339, bevestigend beantwoord.
4.3.
Ingevolge deze rechtspraak dient het college, als (voormalig) werkgever aangemerkt te worden als categoraal belanghebbende bij besluitvorming van het Uwv over toekenning, herziening of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering van belanghebbende. Dit brengt echter niet reeds mee dat zij ook moet worden geacht een concreet belang te hebben bij het maken van bezwaar of het instellen van beroep dan wel hoger beroep. Daarvoor is ook vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaarschrift, beroepschrift of hoger beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en aan het realiseren daarvan voor het college feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
4.4.
Zoals ter zitting namens het college nogmaals is benadrukt is het belang dat het college in de onderhavige procedure stelt te hebben met name gelegen is in de eveneens bij de Raad aanhangig zijnde ambtenarenprocedure. Indien in de Ziektewetprocedure het oordeel zou zijn dat belanghebbende per 15 december 2010 niet ziek was in de zin van de Ziektewet, dan zou dit een argument voor het college kunnen zijn in de ambtenarenprocedure.
4.5.
Het college heeft hiermee onvoldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij een uitspraak over de vraag of belanghebbende in medisch opzicht 15 december 2010 geschikt was voor zijn eigen werk. Niet gebleken is dat een dergelijke uitspraak in de ambtenarenzaak een essentiële rol speelt.
4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2011 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en M.C. Bruning en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M. Crum
JvC