ECLI:NL:CRVB:2015:390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag wegens gezamenlijke huishouding met ex-partner
Appellante ontvangt sinds 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Zij stond sinds 2006 ingeschreven op hetzelfde adres als haar ex-partner met wie zij drie kinderen heeft. Het UWV constateerde dat zij geen melding had gedaan van de gezamenlijke huishouding en schortte de toeslag per 1 mei 2012, waarna deze werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode vanaf 6 juli 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij een zelfstandige woonruimte bewoonde en dat het rechtsvermoeden strijdig was met artikel 26 IVBPR Pro, maar de Raad verwierp deze argumenten. De woonruimte was niet zelfstandig en het rechtsvermoeden is gerechtvaardigd ter bestrijding van leefvormfraude.
De Raad oordeelde dat appellante niet had voldaan aan haar mededelingsplicht en dat het UWV terecht de toeslag had ingetrokken en teruggevorderd. Dringende redenen om hiervan af te zien waren niet aannemelijk. Ook de schorsing van de toeslag was terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de toeslag wegens gezamenlijke huishouding met ex-partner wordt bevestigd.