ECLI:NL:CRVB:2009:BH0272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- A.T. de Kwaasteniet
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Onterecht intrekken toeslag op grond van onweerlegbaar vermoeden gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering en toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV stelde vast dat zij sinds 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot, die een kamer huurde en daarvoor betaalde, en trok de toeslag met terugwerkende kracht in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 12 december 2005 niet-ontvankelijk, maar vernietigde het besluit van 4 mei 2006 en bepaalde dat het UWV opnieuw moest beslissen.
In hoger beroep stelde appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat het onweerlegbare vermoeden niet van toepassing was. Het UWV handhaafde het besluit, maar matigde de terugvordering wegens dringende redenen. De Raad overwoog dat het onweerlegbare vermoeden, dat ex-gehuwden zonder onderzoek als gezamenlijke huishouding aanmerkt, in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro en dat het niet redelijk is dit rechtsvermoeden onbeperkt toe te passen.
De Raad concludeerde dat het UWV ten onrechte de toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd op basis van het vermoeden zonder nader onderzoek naar feitelijke gezamenlijke huishouding. Het besluit van 28 januari 2008 werd vernietigd, de primaire besluiten van 21 juli 2005 herroepen en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot intrekking en terugvordering van de toeslag wordt vernietigd en de primaire besluiten worden herroepen.