ECLI:NL:CRVB:2015:394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over loongerelateerde WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht heeft op een loongerelateerde uitkering (LGU) op grond van de Wet WIA vanwege een arbeidsongeschiktheid van 64,82% vanaf 20 augustus 2012. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, en ook de rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en verwees naar een rapport van psycholoog Van Rijn ter onderbouwing. Het UWV stelde dat het procesbelang was komen te vervallen omdat de LGU inmiddels was geëindigd en een vervolguitkering was toegekend waartegen geen bezwaar was gemaakt. De Raad oordeelde echter dat appellant wel procesbelang had vanwege de gevolgen van het verdienvermogen voor de hoogte en soort van de WGA-uitkering.
De Raad stelde vast dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig waren opgesteld, consistent en concludent, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze rapporten onjuist waren. Ook het rapport van psycholoog Van Rijn bood geen aanleiding tot wijziging van het standpunt. De arbeidsdeskundige had functies geselecteerd die in overeenstemming waren met de beperkingen van appellant, en ondanks het vervallen van één functie bleef de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd.
Gelet op deze overwegingen slaagde het hoger beroep niet en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.