ECLI:NL:CRVB:2015:3952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging forfaitaire vervoerskostenvergoeding en toekenning Collectief Vraagafhankelijk Vervoer
Appellant ontving sinds 1994 een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade beëindigde deze tegemoetkoming per 1 januari 2013 en kende in plaats daarvan een vervoervoorziening toe in de vorm van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), individueel van deur tot deur. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het CVV vanwege zijn medische beperkingen niet passend zou zijn.
Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het CVV inmiddels is verruimd zodat individueel reizen zonder medepassagiers mogelijk is. Tijdens het beroep bij de rechtbank werd medisch advies ingewonnen, dat concludeerde dat het CVV een adequate voorziening is en geen medische noodzaak bestond voor een forfaitaire tegemoetkoming.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel, stellende dat zijn medische situatie was verslechterd en dat het CVV onvoldoende was voor zijn zelfstandigheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen wezenlijk nieuwe gronden had aangevoerd, dat het medisch advies zorgvuldig was en dat de toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart niet tot een ander oordeel leidt. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het CVV is een passende voorziening.