ECLI:NL:CRVB:2015:4041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WW-uitkering wegens niet nakomen verplichtingen
Appellant ontving vanaf 8 juli 2011 een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 23,41 per week. Het UWV riep appellant op voor gesprekken met een werkcoach op 29 november en 6 december 2011, waarbij appellant zonder bericht niet verscheen. Vervolgens werd de betaling van zijn WW-uitkering per 5 december 2011 geschorst. Appellant maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar het UWV handhaafde het besluit en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat appellant voldoende was geïnformeerd over de voorwaarden voor opheffing van de schorsing en dat hij geen gebruik had gemaakt van de geboden mogelijkheid om de schorsing te laten opheffen. Appellant stelde in hoger beroep dat de schorsing onrechtmatig was en te lang duurde, omdat hem geen termijn was gesteld om alsnog medewerking te verlenen.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant zonder geldige reden niet was verschenen op de afspraken en ook geen bewijsstukken had overgelegd waaruit zijn beschikbaarheid voor arbeid bleek. Hierdoor kon het UWV niet vaststellen of appellant recht had op de WW-uitkering. De Raad concludeerde dat het UWV de schorsing op goede gronden had toegepast en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De stellingen van appellant over de duur van de schorsing en de opheffing werden niet inhoudelijk behandeld omdat die niet ter beoordeling lagen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schorsing van de WW-uitkering van appellant per 5 december 2011.