ECLI:NL:CRVB:2015:4049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens exploitatie hennepkwekerij en verlies werknemerschap
Appellant ontving sinds 26 november 2010 een WW-uitkering van 29,75 uur per week. Het UWV trok deze uitkering per 1 december 2010 in vanwege het niet melden van de exploitatie van een hennepkwekerij. De rechtbank vernietigde dit besluit deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant aannemelijk ten minste een week 29,75 uur aan de kwekerij had besteed, waardoor hij zijn werknemerschap over die uren verloor.
In hoger beroep betwistte appellant de ingangsdatum van de intrekking en de omvang van de werkzaamheden, stellende dat slechts één teeltcyclus had plaatsgevonden en dat hij minder uren had gewerkt. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de intrekking vanaf 1 december 2010 terecht was en dat de schatting van 29,75 uur per week aannemelijk was, mede omdat appellant zelf ter zitting bevestigde circa 30 uur per week te hebben gewerkt.
De Raad benadrukte dat de bestuursrechter bij vernietiging van een besluit eerst moet onderzoeken of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven of dat hij zelf kan voorzien, en dat dit hier correct was toegepast. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de WW-uitkering vanaf 1 december 2010 wordt bevestigd.