ECLI:NL:CRVB:2025:1099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting en terugvordering WAZ-uitkering wegens hennepkwekerij en oplegging boete
Appellant ontving sinds 2003 een WAZ-uitkering. Op 3 juni 2020 werd in een loods bij zijn woning een hennepkwekerij met 1.301 planten aangetroffen. Het Uwv stelde vast dat appellant inkomsten uit deze kwekerij had genoten en kortte de WAZ-uitkering met terugwerkende kracht van 7 februari tot 2 juni 2020. Tevens legde het Uwv een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond niet betrokken te zijn bij de kwekerij. Appellant stelde in hoger beroep dat de strafrechtelijke procedure nog liep, dat hij niet betrokken was en dat de boete onterecht was opgelegd. De Raad concludeerde dat het strafproces was afgerond en dat het Uwv terecht uitging van het vermoeden van exploitatie door appellant, die dit niet met overtuigend bewijs heeft weerlegd.
De Raad oordeelde dat het Uwv de inkomsten schattenderwijs mocht vaststellen op basis van het politierapport en dat de boete proportioneel is, mede gezien de financiële situatie van appellant. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep faalde, de bestreden besluiten blijven in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting, terugvordering en boete en verklaart het hoger beroep ongegrond.